US and UK flag

Orakelboek



Inleiding




Orakelmunten
donatieknop





Inleiding door Richard Wilhelm.

Het Boek der Veranderingen - I Tjing in het Chinees (tegenwoordig steeds vaker: Yijing (red.)) - is ontegenzeggelijk een der belangrijkste boeken van de wereldliteratuur. Het eerste begin ervan stamt uit de mythische oudheid, en tot op de huidige dag houden de grootste geleerden van China er zich mee bezig. Bijna alles wat in meer dan 3000 jaar oude Chinese culturele geschiedenis aan grote en belangwekkende gedachten werd gedacht heeft of zijn inspiratie geput uit dit boek, of achteraf invloed uitgeoefend op de interpretatie van de tekst. Men kan dus gerust zeggen, dat in de I Tjing de rijpste wijsheid van duizenden jaren is verwerkt. Het is dan ook geen wonder, dat de beide takken van de Chinese philosophie, het Confusianisme en het taoïsme, hier hun gemeenschappelijk wortels hebben.
Een geheel nieuw licht valt van hieruit op menig geheim in de vaak duistere gedachtengangen van die mysterieuze oude wijze, Lao-tse, en diens leerlingen, alsook op veel denkbeelden, die men in de Confuciaanse traditie aantreft als axioma's, die zonder nader onderzoek werden aangenomen.
Ja, niet alleen de philosophie, maar ook de natuurkunde en de staatkunde van China hebben steeds weer uit deze wijsheidsbron geput, en het is geen wonder, dat dit boek van alle klassieke werken uit de school van Confusius het enige was dat aan de grote boekenverbranding onder Tj'in-sje-hwang ontkwam. Zelfs het gewone alledaagse leven in China is doordrenkt met de invloed van de I Tjing. als men door de straten van een Chinese stad loopt, kan men hier en daar op een hoek een waarzegger zien zitten aan een zindelijk gedekte tafel, met penseel en lei gewapend, om aan de hand van het oude wijsheidsboek raad te geven voor de kleine noden des levens. En dat niet alleen; zelfs de met goud beschilderde reclameborden, die de huizen sieren - loodrechte zwart gelakte houten panelen - zijn bedekt met inscripties, welker bloemrijke taal altijd weer herinnert aan gedachten en citaten uit dat boek. Zelfs de politiek van een zo moderne staat als Japan, die uitmunt door wijze voorzichtigheid, versmaadt het niet, in moeilijk situaties de raadgevingen van het oude geschrift in acht te nemen.
Wel heeft de hoge roep van wijsheid, waarin het Boek der Veranderingen staat, in de loop der tijden tot gevolg gehad dat een groot aantal occulte leerstelsels, die uit een geheel anderen ideeënwereld zijn voortgekomen - ten dele misschien zelfs niet van Chinese oorsprong zijn - eraan zijn vastgekoppeld.
Sinds de tijd van de Tj'in- en Han-dynastieen kwam steeds meer een formalistische natuurphilosophie in zwang, die met een systeem van getalsymbolen de hele wereld van het denkbare trachtte te omvatten en door een streng doorgevoerde dualistische Jin-Jangleer te combineren met de leer van de 'vijf veranderingsphasen' (die aan het Boek der Oorkonden ontleend was) de hele Chinese wereldbeschouwing steeds meer in starre vormen wrong. Zo is het gekomen, dat steeds spitsvondiger kabbalistische speculaties het Boek der Veranderingen met een waas van geheimzinnigheid omhulden en, door alles uit het verleden en uit het heden in hun getallen-schema te betrekken, aan de I Tjing de reputatie bezorgden van een boek vol onbegrijpelijke diepzinnigheid. Deze speculaties hadden ook het ongewenste gevolg, dat het begin van een vrije Chinese natuurkunde, die in de tijd van Mo Ti en zijn leerlingen ongetwijfeld aanwezig was, in de kiem werd gesmoord, om plaats te maken voor een steriele traditie van boekenschrijverij en boekenlezerij, die zich door de werkelijkheid in geen enkel opzicht liet beinvloeden. Dit is de reden, dat China in Westerse ogen zo lang het beeld van een hopeloze verstarring bood. Men mag echter niet uit het oog verliezen, dat afgezien van deze mechanische getallen-symboliek zich te allen tijde een levende stroom van diepe menselijke wijsheid langs de banen van dit boek heeft uitgegoten in het practische leven; dat zij aan de grote Chinese cultuur de rijpe, bezonken levenswijsheid verleende, die we thans bijna weemoedig bewonderen in de overblijfselen van deze laatste werkelijk autochthone cultuur.
Wat is het boek der Veranderingen nu eigenlijk? Om tot een juist begrip van het boek en zijn leringen te komen, moeten wij eerst de tekst energiek bevrijden van de overwoekering door interpretaties, die er alle mogelijke ideeën in trachten te leggen, welke er volstrekt niet in thuis horen. Dit geldt evenzeer voor het bijgelovige geheimzinnige gedoe van oude Chinese tovenaars als voor de niet minder bijgelovige theorieën van moderne Europese geleerden, die hun bij primitieve wilden opgedane ervaringen met alle geweld op alle historische culturen willen toepassen. Wij moeten ons hier houden aan het grondbeginsel, dat het Boek der Veranderingen uit zichzelf en uit zijn tijd verklaard dient te worden. Dan wordt de zaak veel minder duister, en wij komen tot de erkenning, dat het Boek der Veranderingen weliswaar een zeer diepzinnig boek is, doch aan het juiste begrip ervan geen groter moeilijkheden in de weg legt dan welk ander boek ook, dat in de loop van een lange geschiedenis uit de oudheid tot ons is gekomen.



I. HET GEBRUIK VAN HET BOEK DER VERANDERINGEN.
a. Het Orakelboek.

Het Boek der Veranderingen was aanvankelijk een verzameling van tekens voor orakeldoeleinden. Orakels waren in de oudheid overal in gebruik, en de primitiefste soorten beperkten zich ertoe met ja en neen te antwoorden. Ook aan het Boek der Veranderingen ligt deze onderscheiding ten grondslag. Het 'ja' werd door een enkelvoudige hele lijn aangeduid een gesloten lijn, het 'neen' door een gebroken lijn een open lijn. Reeds zeer vroeg schijnt men behoefte gevoeld te hebben aan een grotere differentiëring, en uit de enkelvoudige lijnen ontstonden door verdubbeling meerdere combinaties: een reeks van open en gesloten lijnen waaraan dan nog een derde lijnelement werd toegevoegd, waardoor de zogenaamde acht tekens of trigrammen ontstonden. Deze acht trigrammen werden beschouwd als beelden van al wat in de hemel en op aarde gebeurt. Men ging daarbij uit van de voorstelling, dat deze beelden voortdurend in elkaar overgaan, evenals in de wereld een voortdurende overgang van het ene verschijnsel in het andere plaatsvindt. Dit vormt de grondidee van het Boek der Veranderingen. De acht trigrammen zijn symbolen voor elkaar afwisselende overgangstoestanden, beelden, die aan voortdurende verandering onderhevig zijn. Het oog was niet gericht op de dingen in hun zijn - zoals dat in het Westen hoofdzakelijk het geval was - maar op de beweging der dingen in hun verandering. De acht trigrammen zijn dus geen afbeeldingen der dingen, maar afbeeldingen van hun bewegingstendensen. Deze acht beelden hebben dan ook velerlei betekenissen gekregen. Ze stelden bepaalde processen in de natuur voor, die met hun wezen overeenstemden; voorts een gezin van vader, moeder, drie zoons en drie dochters, niet in mythologische zin (zoals bij voorbeeld de Griekse Olympus met Goden bevolkt is) maar eveneens in de meer abstracte zin dat niet dingen, maar functies worden voorgesteld. Gaan we deze acht symbolen, die aan het Boek der Veranderingen ten grondslag liggen, eens na, dan krijgen we de volgende classificatie:

Naam Eigenschap Beeld Familie
een trigram Tj'ièn, het Scheppende sterk hemel vader
een trigram K'oen, het Ontvangende toegewijd aarde moeder
een trigram Tsjen, het Opwindende bewegend donder 1e zoon
een trigram K'an, het Onpeilbare gevaarlijk water 2e zoon
een trigram Ken, het Stilhouden rustend berg 3e zoon
een trigram Soen, het Zachtmoedige indringend wind, hout 1e dochter
een trigram Li, het Zich-Hechtende lichtend vuur 2e dochter
een trigram Twéi, het Blijmoedige vrolijk meer 3e dochter

Wij hebben bijgevolg in de zonen het bewegende element in zijn verschillende stadia: het begin van de beweging, gevaar in de beweging, rust en voleinding van de beweging. In de dochters hebben wij het element van de toewijding in zijn verschillende stadia: zachtmoedig indringen, klaarheid en aanpassing, blijmoedige rust.
Om nu een nog grotere differentiatie te verkrijgen, werden deze acht beelden reeds zeer vroeg met elkaar gecombineerd, waardoor men in totaal 64 tekens verkreeg. Deze 64 tekens bestaan alle uit zes positieve en/of negatieve lijnen. Deze lijnen zijn veranderlijk gedacht; zo vaak een lijn verandert, gaat de door het hexagram weergegeven toestand over in een andere. Nemen we bijvoorbeeld het hexagram K'oen, het Ontvangende, de aarde: bestaande uit zes open lijnen.
Het stelt de natuur van de aarde voor, het krachtig toegewijde; onder de seizoenen de late herfst, als alle levenskrachten rusten. Als zich nu de onderste lijn verandert, dan krijgen wij het hexagram Foe, de Terugkeer: bestaande uit 5 open lijnen met daaroner een gesloten lijn
Dit stelt de donder voor, de beweging die zich in de tijd van de zonnestilstand weer bemerkbaar maakt in de aarde, de terugkeer van het lichte.
Zoals uit dit voorbeeld blijkt, behoeven niet alle lijnen te veranderen. Het hangt er geheel van af, welk karakter de lijn heeft. Een lijn, die van nature positief is en daarbij dynamisch geladen, slaat om in het tegendeel, het negatieve. Een positieve lijn van geringe kracht daarentegen blijft onveranderd, en evenzo is het gesteld met de negatieve lijnen.
Over de lijnen, die zo sterk met positieve of negatieve kracht geladen zijn dat ze als bewegend beschouwd dienen te worden, zij hier slechts vermeld, dat de zich bewegende positieve lijnen door een negen, en de zich bewegende negatieve lijnen door een zes worden weergegeven, terwijl de lijnen die rusten en dus alleen dienst doen als materiaal voor de opbouw van het hexagram zonder een intrinsieke zelfstandige betekenis te hebben, door een zeven, respectievelijk een acht worden weergegeven.
Luidt dus de tekst: 'In het begin een negen betekent', dan wil dat zeggen: Als de positieve lijn op de beginplaats door een negen wordt voorgesteld, dan betekent dit het volgende: ... Wordt deze lijn daarentegen door een zeven voorgesteld, dan blijft ze voor het orakel buiten beschouwing. Hetzelfe principe geldt voor de zessen en de achten. In ons vorig voorbeeld hebben wij het hexagram K'oen, het ontvangende, dat als volgt is samengesteld:

8 bovenaan aeen open lijn
8 op de vijfde plaats een open lijn
8 op de vierde plaats een open lijn
8 op de derde plaats een open lijn
8 op de tweede plaats een open lijn
Aan het begin een 6 een open lijn


hexagram 02 changing into hexagram 24

De vijf bovenste lijnen blijven dus buiten beschouwing, en alleen de zes aan het begin heeft een zelfstandige betekenis. Doordat ze omslaat in het tegendeel, gaat de toestand van K'oen, het Ontvangende, over in de toestand van Foe, de Terugkeer.
Op deze wijze hebben wij dus een hele reeks symbolisch uitgedrukte toestanden, die door de beweging der lijnen in elkaar kunnen overgaan. Noodzakelijk is dit echter niet; want als een hexagram uit louter zevens en achten is samengesteld, beweegt het zich niet, en komt alleen de toestand in zijn geheel in aanmerking.
Behalve deze wet van verandering en de beelden van de veranderingstoestanden, die door de 64 hexagrammen worden weergegeven, is er nog een andere factor, waarmee men rekening dient te houden. Elke situatie verlangt een bijzondere wijze van handelen, wil men er zich aan kunnen aanpassen. In elke situatie is er een juiste, en een verkeerde manier van handelen. Het is duidelijk, dat de juiste handelwijze geluk, de verkeerde ongeluk brengt. Welke handelwijze is nu in elk speciaal geval de juiste? Die vraag was de beslissende factor. Zij is het, die ertoe heeft geleid, dat de I Tjing meer is geworden, dan een gewoon waarzegboek. Als een kaartlegster haar client vertelt, dat ze over acht dagen een geldzending uit Amerika zal krijgen, dan kan deze niets anders doen dan afwachten, of de brief werkelijk komt. Het is het noodlot, dat verkondigd wordt en dat onafhankelijk is van het doen of laten der mensen. Daarom blijft alle waarzeggerij zonder morele betekenis. Doordat het in China voor het eerst gebeurde, dat iemand zich niet tevreden stelde met de tekenen die de toekomst voorspelden, doch vroeg: wat moet ik doen? kon het geschieden, dat het waarzegboek tot een wijsheidsboek werd. Voor koning Wen, die omstreeks het jaar 1000 voor Christus leefde, en voor zijn zoon, de hertog van Tsjow, was het weggelegd, deze verandering tot stand te brengen. Zij voorzagen de tot dusverre stomme tekens en lijnen - waaruit de toekomst telkens van geval tot geval bij wijze van divinatie moest worden geraden - van duidelijke raadgevingen, die de juiste wijze van handelen aangaven. Daardoor kreeg de mens deel aan de vorming van zijn eigen noodlot; zijn handelen grepen als beslissende factoren in het wereldgebeuren in: te beslissender naar mate men door het Boek der Veranderingen de kiemen van dit gebeuren vroeger kon onderkennen; want op die kiemen kwam het aan. Zo lang de dingen nog in wording zijn, kunnen ze geleid worden, doch wanneer ze zich eenmaal tot hun volle consequenties hebben ontwikkeld, groeien ze uit tot overmachtige wezens, waar de mens machteloos tegenover staat. Op deze wijze werd het Boek der Veranderingen dus tot een waarzegboek van een heel bijzondere soort. De hexagrammen en lijnen gaven in hun bewegingen en veranderingen op geheimzinnige wijze de bewegingen en veranderingen in de macrocosmos weer. Door het gebruik der duizendbladstelen of munten kon men het punt verkrijgen van waaruit het mogelijk was, de situatie te overzien. Als men dit overzicht had, gaven de woorden uitsluitsel over hetgeen men te doen had om in harmonie met de tijd te zijn. Wat ons modern gevoel hierbij vreemd aandoet, is de toevalsmethode of ongerichte manipulatie waardoor het orakel tot een uitspraak over de situatie komt. Dit procede werd echter gezien als een mystieke handeling waardoor het onbewuste in de mens gelegnheid kreeg actief te worden. Niet iedereen is even goed in staat, het orakel te raadplegen. Men dient hiertoe te beschikken over een helder en rustig gemoed, dat ontvankelijk is voor de cosmische invloeden, verborgen in de eenvoudige orakeltechniek, die, als producten van de plantenwereld, in verbinding staat met de bronnen van het leven. Het duizendblad was een heilige plant.


b. Het Wijsheidsboek.

Veel belangrijker nog dan het gebruik van het Boek der Veranderingen als orakelboek is echter het gebruik ervan als wijsheidsboek geworden.
Lau-tse kende dit boek en sommige van zijn diepste aphorismen werden erdoor geïnspireerd. Zijn hele gedachtenwereld is zelfs doordrongen met de denkbeelden van dit boek. Confusius kende het Boek der Veranderingen en wijdde er zijn aandacht aan. Waarschijnlijk schreef hij enkele van zijn verklaringen erover op, terwijl hij andere mondeling doorgaf aan zijn leerlingen. Deze door Confucius uitgegeven en van commentaren voorziene versie van het Boek der Veranderingen is het, die tot in onze tijd bewaard is gebleven.
Bij de vraag naar de philosophische beschouwingen, die aan het boek ten grondslag liggen, kunnen wij ons beperken tot heel enkele maar grootse gedachten. De grondgedachte van het geheel is de idee van de Verandering. In de Gesprekken (Loen-ju IX, 16) wordt verteld, hoe Confusius eens bij een rivier stond en sprak: 'Zo vliedt alles voort gelijk deze stroom, zonder ophouden, dag en nacht.' Dit drukt de idee van de verandering uit. Degene, die de betekenis hiervan begrepen heeft, richt zijn blik niet langer op de voorbij vliedende objecten uit de buitenwereld, maar op de onveranderlijke, eeuwige wet, die aan alle verandering ten grondslag ligt. Deze wet is het tao van Lao-tse, de loop der dingen, het Ene in al het vele. Voor de verwezenlijking hiervan is een beslissing, een zetting nodig. Deze grondzetting is de grote oeraanvang van al het zijnde: T'ai-tji eigenlijk: de nokbalk. De latere philosophie heeft zich met deze oeraanvang intensief beziggehouden. Men heeft de Woe-Tji, de oeraanvang, als cirkel getekend, en T'ai-tji was dan in de licht en donker verdeelde cirkel, die ook in Indië en Europa een rol speelde: het Jin-Jang teken Yin and Yang symbol. Speculaties van gnostisch-dualistische aard zijn echter geheel vreemd aan de grondgedachte van de I Tjing. Wat het poneert is eenvoudig de lijn, de nokbalk. Met deze lijn, die op zichzelf een is, komt een tweeheid in de wereld, want hiermee ontstaat tegelijkertijd een boven en een onder, een rechts en een links, een voor en een achter, kortom de wereld der tegenstellingen.
Deze tegenstellingen zijn bekend geworden onder de namen Jin en Jang, en hebben veel opzien gebaard, vooral in de overgangsperiode tussen de Tj'in en de Han-dynastie, in de eeuwen die aan onze tijdrekening vooraf gingen, toen er een hele school van de Jin-Jang-leer bestond. In die tijd werd het Boek der Veranderingen vooral als toverboek gebruikt, en werden er talloze geheimzinnige betekenissen in de tekst gelegd, die er in wezen niets mee te maken hadden. Natuurlijk heeft deze leer van Jin en Jang, van het vrouwelijke en het mannelijke als oerprincipes, ook de belangstelling getrokken van buitenlandse sinologen. Volgens het beproefde recept meende men er phallische symbolen in te zien, met alles wat daarmee samenhangt. Tot grote teleurstelling van zulke ontdekkers moet worden gezegd, dat in de oorspronkelijke betekenis van de woorden Jin en Jang niets ligt opgesloten dat daarop wijst. Jin betekent oorspronkelijk 'het bewolkte', het 'sombere'; Jang betkent eigenlijk 'in de zon waaiende banieren', dus iets waar het licht op valt, iets lichts. Overdrachtelijk werden de beide begrippen gebruikt voor de belichte en de donkere (dat wil zeggen Zuidelijke en Noordelijke) kant van een berg of rivier (bij welke laatste echter de Noordkant licht is omdat die het licht weerspiegelt, en de Zuidkant in de schaduw). Van hieruit werden de beide uitdrukkingen dan in het Boek der Veranderingen overgebracht op de beide elkaar afwisselende oertoestanden in de uiterlijk zichtbare wereld. Er dient echter de aandacht op te worden gevestigd, dat de termen Jin en Jang in deze betekenis in de eigenlijke tekst van het Boek der Veranderingen in het geheel niet voorkomen, evenmin in de oudste commentaren: wèl daarentegen in het Grote Commentaar die in sommige delen reeds onder taoïstische invloed staat. In het Commentaar op de Beslissing wordt niet van Jang en Jin, maar van vast en week gesproken.
Hoe dit ook zij, zoveel is zeker, dat deze krachten - welke naam men er ook aan moge geven - in hun verandering en overgang oorzaak zijn van het ontstaan van de zichtbare wereld. Hierbij is de verandering deels een aanhoudend omslaan van het ene in het andere, deels een kringvormig gesloten verloop van onderling samenhangende gebeurtenis-complexen, zoals dag en nacht, zomer en winter. Deze verandering is echter niet zinneloos - indien dat het geval was, zou men er niets vanafkunnen weten -, doch onderworpen aan de universele wet, het tao.
De tweede grondgedachte van het Boek der Veranderingen is zijn ideeënleer. De acht trigrammen zijn beelden, niet zozeer van voorwerpen als van veranderingstoestanden. Daarmee is de opvatting verbonden, die zowel in de leer van Lau-tse als in die van Confusius tot uiting komt: Dat alles wat in de zichtbare wereld geschiedt het uitvloeisel is van een 'beeld', een idee in de onzichtbare wereld. In zoverre is al het aardse gebeuren als het ware slechts een afspiegeling van een bovenzinnelijk gebeuren, die zich wat de tijd betreft ook later afspeelt dan dat bovenzinnelijke gebeuren. De heiligen en wijzen, die met deze hogere sferen in contact staan, hebben door hun intuïtie directe toegang tot deze ideeën, en zijn daardoor in staat in de wereldgebeurtenissen beslissend in te grijpen. De mens is verbonden met de hemel, de bovennatuurlijke wereld der ideeën, en met de aarde, de materiëel zichtbare wereld, en vormt daarmee een drieëenheid der oermachten. Deze ideeënleer wordt in tweeërlei zin toegepast. Het Boek der Veranderingen toont de beelden van het gebeuren en daarmee het worden der toestanden in statu nascendi. Doordat men nu met behulp van het Boek der Veranderingen de kiemen onderkent, leert men de toekomst vooruit te zien, evenals men het verleden leert begrijpen. De bedoeling van deze beelden, waarop de hexagrammen gebaseerd zijn, is juist: in de door hen aangeduide situaties het voorbeeld te geven, hoe men in overeenstemming met de tijd dient te handelen. Niet alleen de aanpassing aan het natuurlijk verloop wordt echter op deze wijze mogelijk gemaakt: in het Grote Commentaar (Boek II, hoodstuk II) wordt tevens de ongemeen belangwekkende poging gewaagd, de oorsprong van alle culturele instellingen van de mensheid tot zulke ideeën en beelden terug te brengen. Hoe men nu ook over de gedetailleerde uitwerking hiervan moge denken, het staat wel vast dat de grondgedachte waarheid bevat.
Het derde fundamentele element van het Boek der Veranderingen wordt gevormd door de oordelen, die de beelden als het ware in woorden kleden. De oordelen duiden aan of een handeling heil of onheil, berouw of beschaming met zich brengt. Daardoor stellen ze de mens in de gelegenheid zelfstandig te besluiten, een bepaalde richting, die natuurlijkerwijze uit de situatie van de tijd zou voortvloeien, te verlaten, wanneer deze verderfelijk voor hem zou zijn. Op de wijze vermag hij zich onafhankelijk te maken van de dwang der gebeurtenissen. In de oordelen en in de interpretaties, die zich sinds Confusius daaraan hebben aangesloten, biedt het Boek der Veranderingen de lezer de rijkste schat van Chinese wijsheid; tegelijkertijd verschaft het hem een samenvattend overzicht over de verschillende levensvormingen en stelt het hem in staat, aan de hand daarvan met zijn eigen souvereine wil zijn leven tot een organisch geheel te vormen, zodat het in harmonie komt met de laatste zin, het tao, dat aan al het bestaande ten grondslag ligt.


II. DE GESCHIEDENIS VAN HET BOEK DER VERANDERINGEN.

In de Chinese literatuur worden vier heiligen als auteurs van het Boek der Veranderingen aangegeven: Foe Si, koning Wen, de hertog van Chow en Confusius.
Foe Si is een mythische figuur, de vertegenwoordiger van het tijdperk van de jacht, de visvangst en de uitvinding van het koken. Wanneer hij wordt genoemd als de uitvinder van de tekens van het Boek der Veranderingen, dan wil dat zeggen, dat men ze voor ouder hield, dan de historische herinnering reikt. Ook hebben de acht oertekens namen, die anders niet voorkomen in de Chinese taal, zodat men zelfs wel eens gedacht heeft, dat ze van vreemde oorsprong waren. In elk geval zijn deze figuren geen oude schrifttekens, zoals sommigen uit de half toevallige, half bewuste overeenkomst met het een of anderre oude schriftteken hebben willen afleiden.
Zeer vroeg kwamen deze acht trigrammen reeds in combinatie met elkaar voor. Er worden uit oude tijden twee verzamelingen vermeld: het Boek der Veranderingen van de Hia-dynastie, Lièn sjan genaamd, dat volgens de overlevering met het hexagram Ken (het Stilhouden, de berg) begon, en het Boek der Veranderingen van de Sjang-dynastie, Kwéi ts'ang genaamd, dan met het hexagram K'oen (het Ontvangende) aanving. Deze laatste omstandigheid wordt door Confusius zelf vermeld als een historisch feit. Of de namen der 64 hexagrammen toen reeds bestonden, en zo ja, of ze dan gelijk waren aan die in het tegenwoordige Boek der Veranderingen, is moeilijk te zeggen.
De tegenwoordige verzameling van 64 hexagrammen is volgens de algemene traditie - en er is geen reden hieraan te twijfelen - afkomstig van koning Wen, de stamvader van de Tsjow-dynastie, die de tekens van korte Oordelen voorzag, toen hij door de tyran Tsjow-sin in de gevangenis was opgesloten. De tekst bij de afzonderlijke lijnen is afkomstig van zijn zoon, de hertog van Tsjow. Dit boek was onder de naam: De Veranderingen van Tsjow (Tsjow I) gedurende de het Tsjow-tijd als orakelboek in gebruik, hetgeen door verschillende oude aantekeningen wordt bevestigd. Zo was de toestand van het boek, toen Confusius het ontdekte. Op hoge leeftijd hield hij er zich intensief mee bezig, en het is hoogst waarschijnlijk, dat de 'Commentaar op de Beslissing' van hem afkomstig is. Ook de commentaar op de beelden stamt van hem, zij het ook minder direct. Van een derde, zeer waardevolle en uitvoerige commentaar op de afzonderlijke lijnen, die in de vorm van vragen en antwoorden door zijn leerlingen en hun opvolgers was samengesteld, zijn thans nog slechts fragmenten bewaard gebleven (b.v. in de afdeling Wen jèn en ook in de Si tz'e-tsjwan).
In de school van Confusius werd het Boek der Veranderingen naar het schijnt hoofdzakelijk door Poe Sjang (Tse-sia) in ruimere kring bekend gemaakt. Met de ontwikkeling van de philosophische speculatie, zoals deze in de 'Hogere Cultuur' en in 'Maat en Midden' naar voren treedt, begon deze soort philosophie steeds meer invloed uit te oefenen op de interpretatie van het Boek der Veranderingen. Rondom het boek vormde zich een literatuur, waarvan nog overblijfselen - oude en latere - te vinden zijn in de zogenaamde 'Tien Vleugels'. De innerlijke waarde en het gehalte daarvan zijn zeer uiteenlopend.
Bij de befaamde boekenverbranding onder Tj'in-sje-kwang ontkwam het Boek der Veranderingen aan het noodlot der andere klassieke boeken. Maar als er iets is, dat de legende kan weerleggen, als zou de tekst der oude boeken speciaal door die verbranding geleden hebben, dan is het wel de toestand van de I Tjing, die dan toch eigenlijk intact moest zijn. In werkelijkheid is het aan de nood der eeuwen, het verval van de oude beschaving en aan de verandering van het schriftsysteem te wijten, dat alle oude werken schade geleden hebben.
Nadat het Boek der Veranderingen echter onder Tj'in-sje-kwang zijn roem als waarzeg- en toverboek had bevestigd, kwam tijdens de Tj'in- en de Han-dynastie de hele school van de tovenaars Fang Sje er op af, en de waarschijnlijk door Tsow Jèn opgekomen, later door Toeng Tsjoeng Sjoe en Lioe Sin en Lioe Siang voortgezette Jin-Jang-leer vierde haar orgieën bij de verklaring van het Boek der Veranderingen.
Voor Wang Pi was het weggelegd, die hele warboel op te ruimen. Deze grote en wijze geleerde schreef over de betekenis van het Boek der Veranderingen als wijsheidsboek, niet als orakelboek. Al spoedig vond hij navolging, en in plaats van de toverlessen van de Jin-Jang-leraren sloot zich nu steeds meer de opkomende staatsphilosophie bij het boek aan. In de Soeng-tijd werd het boek als grondslag voor de (waarschijnlijk niet Chinese) T'ai tji t'oe speculatie gebruikt, totdat Tsj'eng-tse de Oude een uitstekende commentaar bij het boek schreef. Het was gewoonte geworden de oude commentaren, die in de Tien Vleugels vervat waren, uiteen te halen en ze bij de betreffende hexagrammen te plaatsen. Zodoende was het boek geleidelijk aan geheel tot het leerboek van de staats- en levenswijsheid geworden. Toen ondernam Tsjoe Si een poging om toch ook het karakter van orakelboek niet verloren te laten gaan; hij publiceerde behalve een kort, nauwkeurige commentaar ook een introductie in zijn studies over het waarzeggen.
De critische, historische richting tijdens de laatste dynastie hield zich ook bezig met het Boek der Veranderingen, doch met haar oppositie tegen de Soeng-geleerden en haar voorkeur voor de Han-commentatoren, die wat de tijd betreft dichter bij de compilatie van het Boek der Veranderingen stonden, had ze minder succes dan met haar behandeling van de andere klassieken. Want de Han-commentatoren waren nu eenmaal tovenaars, of stonden op zijn minst onder invloed van tovenarij-ideeën. Een zeer goede uitgave kwam onder K'ang-si tot stand onder te titel: Tsjow I tsje tsjoeng, die de tekst en de Vleugels afzonderlijk brengt en daarenboven de beste commentaren uit alle tijden. Dit is de uitgave waarop onze vertaling is gebaseerd.


III. RICHTSNOER BIJ DE VERTALING.

Een uiteenzetting van de principes, die bij de vrtaling van het Boek der Veranderingen in acht werden genomen, kan voor de lezer wellicht van groot nut zijn.
De vertaling van de tekst is zo kort en bondig mogelijk gegeven, ten einde de archaïsche indruk, die deze ook in het Chinees maakt, tot zijn recht te laten komen. Daarom was het des te noodzakelijker niet alleen de tekst, maar ook een excerpt uit de belangrijkste Chinese commentaren te geven. Dit excerpt is zo beknopt mogelijk gehouden; het geeft een overzicht van de belangrijkste bijdragen van Chinese geleerden tot een juist begrip van ht werk. Eigen ideeën en vergelijkingen met geschriften van het Westen, die zich vaak aan ons opdrongen, werden zo spaarzaam mogelijk aangebracht en steeds als zodanig kenbaar gemaakt, zodat de lezer tekst en commentaar veilig kan beschouwen als een zuivere weergave van de Chinese gedachtenwereld. Hier wordt speciaal de aandacht op gevestigd, aangezien sommige der fundamentele waarheden zo opvallend met de Christelijke leerstellingen overeenstemmen, dat het delezer ongetwijfeld zal frapperen.
Om voor de leek het juiste begrip van de I Tjing zo gemakkelijk mogelijk te maken, werd in het eerste boek met de tekst van de 64 hexagrammen en en een zakelijke verklaring daarvan. Men leze eerst dit deel door, en richte zijn aandacht voornamelijk op de gedachten, die erin worden uitgesproken, zonder zich veel te storen aan de vormen- en beeldenwereld. Men vervolge bijvoorbeeld het Scheppende in zijn trapsgewijze vooruitgang - zoals deze met meesterlijke hand geschilderd wordt - en de draken neme men dan voorlopig maar op de koop toe, zoals ze er nu eenmaal staan. Op deze manier krijgt men enige voorstelling van wat Chinese levenswijsheid over de verschillende levensomstandigheden te zeggen heeft.
In de commentaren staat de verklaring waarom alles zo is. Daarin is het noodzakelijkste materiaal voor het juiste begrip van de structuur der hexagrammen bijeengebracht, d.w.z. het absoluut noodzakelijke, en voor zover mogelijk werd alleen het oudste materiaal verstrekt, zoals dit in de zogenaamde Tien Vleugels bewaard is gebleven. De Vleugels worden dan voor zover mogelijk gesplitst en over de tekst verdeeld, om deze begrijpelijker te maken.
En tenslotte kan dit ene als vaste overtuiging worden uitgesproken: dat een ieder, die zich het wezen van het Boek der Veranderingen volledig in zich opgenomen heeft, rijker zal zijn aan ervaring en werkelijk begrip van het leven.

Peking, in de zomer van 1923, Richard Wilhelm.






Naar de I Tjing, het Boek der Veranderingen